Stijn Cole en het Conceptueel Impressionisme
In 1987 wordt de astrofysicus Paul Davies ergens halverwege zijn boek The Cosmic Blueprint plots persoonlijk en schrijft: “Ik geloof dat de door de moderne fysica getoonde werkelijkheid fundamenteel vreemd is aan het menselijk verstand en zich te weer stelt tegen alle pogingen van een rechtstreekse voorstelling. De geestelijke beelden die met uitdrukkingen zoals ‘gekromde ruimte’ en ‘singulariteit’ opgeroepen worden zijn in het beste geval hoogstens ontoereikende metaforen die ertoe dienen ons een object in te prenten, en minder om ons inzicht te geven hoe de fysische wereld werkelijk is”. Zijn besluit is dat "Science may explain all the processes whereby the universe evolves its own destiny, but that still leaves room for there to be a meaning behind existence."
Van het heelal naar een idyllische Franse tuin bijna een eeuw vroeger: aan het einde van zijn leven werkt Claude Monet in Giverny aan zijn serie waterlelies en schrijft aan zijn vriend Georges Clemenceau dat de werken een soort metafysisch naturalisme vertegenwoordigen dat de wereld niet reduceert tot wat men zelf waarneemt maar dat eerder onze kennis van de wereld vergroot. Hij stelt dat deze kennis, deze erkenning van het bestaan van een ‘realiteit voorbij haar verschijnen’, daarbij ook onze zelfkennis vergroot.
Het is een geruststellende gedachte dat een intense wetenschappelijke studie van de kosmos en een intense artistieke studie van waterlelies tot een zelfde fundamenteel inzicht in verband met de mens en de wereld kan leiden. Het is het inzicht dat pogingen tot het rechtstreeks voorstellen van onze natuurlijke realiteit, hetzij via wetenschap, hetzij via kunst, steeds tot mislukken gedoemd zijn, maar ook dat net deze vaststelling leidt tot meer kennis over die natuur en over onszelf. Enkel de kortzichtige zelfgenoegzame wetenschapper of kunstenaar ziet hierin een paradox.
Als we willen uitdrukken hoe de dingen werkelijk zijn moeten we het dus stellen met metaforen, en daarom kunnen we er maar best voor zorgen dat, als we die metaforen gebruiken, we dat eerlijk doen en ze niet hanteren om anderen om de tuin te leiden. In wetenschap, en zeker in haar relatie met politiek, moet er over die metaforen dus onderhandeld worden; in kunst natuurlijk niet, want de kunstenaar hoeft niet te bewijzen dat zijn voorstelling van de realiteit betekenisvol en ‘waar’ is. Een kosmoloog die beweert dat we de oorsprong van het heelal kunnen begrijpen door het toetsen van een theoretisch idee aan zorgvuldige observatie is een bedrieger. Anderzijds wordt er wel eens gezegd dat je in een impressionistisch schilderij genre Monet het werkelijke landschap terug kan zien als je je ogen half dicht knijpt en door je wimpers tuurt. Dat zou dan het ‘bewijs’ zijn dat die voorstelling van de realiteit betekenisvol en waar is. Gelukkig klopt dat niet, anders was het impressionisme nu ook ontmaskerd als bedrieglijke wetenschap. De impressionisten toonden een idee over de realiteit maar deden geen moeite om dat idee te duiden omdat ze dat niet interessant vonden. Vandaag staat in kunst het idee naast het fysieke werk en Stijn Cole doet die moeite wel omdat hij meer geïnteresseerd is in ideeën over de weergave van de realiteit dan in die realiteit zelf. Die ideeën leiden tot beeldende werken, en het is zinloos om ze zorgvuldig te observeren of desnoods de ogen half dicht te knijpen om de oorspronkelijke realiteit te ontwaren in wat getoond wordt. Zijn conceptueel impressionisme is ‘eerlijk’ omdat het ons vertelt dat pogingen om de realiteit objectief voor te stellen zinloos zijn, maar ook omdat het erkent dat de werken op zich duiding nodig hebben. Het is te zeggen: ze kunnen zonder, maar dan moet de toeschouwer weten dat hij een stuk van de ‘realiteit voorbij haar verschijnen’ mist. Bij Stijn Cole is het creatieproces een essentieel deel van het kunstwerk en het lijkt (metaforisch gesproken…) alsof de fysieke objecten kunstzinnig ‘uitstralen’ dat ze weten dat ze niet alles kunnen zeggen. Maar de keuze om op zoek te gaan naar het extra verhaal is vrij, en elke optie is evenwaardig, net omdat het kunst is. De toeschouwer kan dus gerust de werken als vensters op de realiteit bekijken, maar moet dan wel beseffen dat het zijn realiteit is, en niet die van de kunstenaar.
Tekst: gaston meskens
Stijn Cole (1978) studeerde reclamevormgeving en beeldhouwkunst aan de Hogeschool voor Wetenschap en Kunst Sint-Lucas Gent. In de voorbije jaren had hij verschillende soloshows bij Galerie Geukens & De Vil en soloshows in oa. het Kunstverein Schwerte (D), het Kunstverein Ahlen (D), in Museum Dhondt Dhaenens (Deurle), in de Witte Zaal in Gent en tijdens de 2009 Preview Art Fair (Berlijn). In 2010 was hij artist in residence in het Museum voor Schone Kunsten Gent. In 2009 deelde hij de tweejaarlijkse Provinciale Prijs Beeldende Kunst met Hannes Van Severen en exposeerde bij die gelegenheid in het Caermersklooster (Gent). Stijn Cole woont en werkt in Seloignes (B).